PGS 15 – Opslagvoorzieningen verpakte gevaarlijke stoffen

Heeft u ruimtes in uw panden waarin gevaarlijke stoffen worden opgeslagen?

  • Bent u te allen tijden op de hoogte van welke stoffen er zijn opgeslagen en in welke hoeveelheden?
  • Bevindt zich op dit moment 2500 kg aan verpakte gevaarlijke stoffen in uw pand?
  • Weet u welke preventieve middelen er bij deze opslagruimtes zijn geplaatst?

Waarschijnlijk bent u van de antwoorden op bovenstaande vragen niet op de hoogte als er binnen uw bedrijf geen verantwoordelijk persoon is aangesteld en opgeleid conform PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen.

Indien u een zogenaamde PGS ruimte binnen uw panden heeft, moet er enkele werknemers worden aangesteld om deze PGS ruimtes te beheren. Deze personen dienen ook een meerdaagse opleiding te volgen. Dit organiseert Vuurrood Veiligheid met een partner.

Enkele eisen aan PGS 15 opslagvoorzieningen:

vs 3.1.1 Verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen moeten worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. De noodzakelijke werkvoorraad is hiervan uitgezonderd. De volgende ADR-klassen mogen niet in deze opslagvoorziening aanwezig zijn, maar moeten separaat worden opgeslagen: 

  • ADR-klasse 1 (ontplofbare stoffen en voorwerpen); 
  • ADR-klasse 5.2 (m.u.v. LQ-verpakkingen tot 1 000 kg die stoffen bevatten met UN-nummer 3103 t/m UN nummer 3110 (type C t/m F zonder temperatuurbeheersing));
  • ADR-klasse 6.2 (infectueuze stoffen) met uitzondering van UN 3291 en UN 3373; 
  • ADR-klasse 7 (radioactieve stoffen).

vs 3.2.4 In een inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste:

  • 2 500 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig zijn, of
  • 10 000 kg onbrandbare of niet-brandonderhoudende verpakte gevaarlijke stoffen van uitsluitend ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III zonder bijkomend gevaar, of ADR-klasse 9, of een combinatie van ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II of III zonder bijkomend gevaar, en ADR-klasse 9.

vs 3.2.8 De vloer van een opslagvoorziening, een eventueel noodzakelijke afdekking van de (hoofd)draagconstructie, alsmede de afdekking aan de binnenzijde van de opslagvoorziening van wanden en dak (voor zover aanwezig) moeten zijn vervaardigd van materiaal, beoordeeld over ten minste de eerste 10 mm van die afdekking, dat voldoet aan Euroklasse A1 (onbrandbaar) volgens NEN-EN 13501-1. Hieraan gelijkwaardig is een constructie die als geheel voldoet aan ten minste Euroklasse A2. Verven en coatings hoeven niet te worden meegenomen.

vs 3.2.10 Een deur in een constructie met een bepaalde brandwerendheid moet zelfsluitend zijn uitgevoerd. Een dergelijke deur mag uitsluitend in geopende stand zijn vastgezet indien deze in het geval van brand automatisch sluit.